DENDROCYGNA AUTUMNALIS AUTUMNALIS

Dit is hem dus: de Noordelijke roodbekfluiteend

Doet Dendrocygna autumnalis autumnalis een belletje bij jou rinkelen?

Normaal gezien nog niet, maar daar brengen we vlug verandering in!

Jong Aviornis coördineert een kweekproject voor de Noordelijke roodbekfluiteend (Dendrocygna autumnalis autumnalis).

Zuivere vertegenwoordigers van deze ondersoort zijn in Europa weinig voorkomend. Er is momenteel nog 1 groep van zo’n 20 vogels waar we met enige zekerheid van kunnen zeggen dat ze zuiver zijn!

Jong Aviornis heeft de kans gekregen om de toekomst van Noordelijke roodbekfluiteenden in beschermd milieu te verzekeren.

Wat willen we bereiken? We willen met een team jeugdleden ervoor zorgen dat de Noordelijke roodbekfluiteend door middel van een gezamenlijk kweekproject niet verdwijnt uit de avicultuur.

 

SYSTEMATIEK

Klasse:             Aves (vogels)

Orde:               Anseriformes (watervogels)

Familie:            Anatidae (eendachtigen)

Subfamilie :      Dendrocygninae

Stam :              Dendrocygnini

Genus :            Dendrocygna (fluiteenden)

Soort :             Dendrocygna autumnalis (Roodbekfluiteend)

Ondersoort :    Dendrocygna autumnalis autumnalis (Noordelijke Roodbekfluiteend)

Tevens bestaat ook de Zuidelijke Roodbekfluiteend (Dendrocygna autumnalis discolor).

VERSPREIDING

Roodbekfluiteenden leven in Noord-, Midden en Zuid-Amerika. Het leefgebied van beide ondersoorten overlappen elkaar, waardoor kruisingen plaatsvinden.

Het zijn voornamelijk standvogels die voorkomen in wetlands (lagunes en moerassen) waar ook bomen groeien.

Ze zijn niet bedreigd, honderduizenden leven er in Amerika, ook al worden ze sterk bejaagd.

UITERLIJK

Enige fluiteend met een witte vlek op de bovenvleugel en met een rode snavel.

Zowel in de zomer als in de winter een identiek verenkleed. Uiterlijk is er geen verschil tussen man en vrouw, seksen is dus nodig om het geslacht te bepalen.

VERSCHIL TUSSEN NOORDELIJKE EN ZUIDELIJKE FLUITEEND

De Noordelijke ondersoort heeft een kastanjebruine borst, nek, bovenrug en onderhals. Bij de Zuidelijke zijn deze grijs. Door migratie van de ondersoorten in het wild (en kruisingen van ondersoorten in gevangenschap) zijn alle variaties hiertussen mogelijk. Maar men neemt aan dat hoe zuidelijker hij is, hoe grijzer hij is.

De tekening geeft de borst van de verschillende ondersoorten van de Roodbekfluiteend weer:

 

 

VOGELS IN BESCHERMD MILIEU

Er zijn 2 gekende importen geweest:

Fisher: de vogels zijn zeer verspreid geworden en gekruist met andere omdat men behoefte had naar ‘vers bloed’.

Halmsley: importeerde in de jaren ’70 eenden uit USA in ruil voor andere eenden. Hij hield alle ondersoorten goed apart, ook van ‘goedkopere’ eenden.

Fokkers houden momenteel amper of geen rekening met de verschillende ondersoorten, te wijten aan onwetendheid of geen interesse. Mensen buiten de Benelux vragen wel achter zuivere ondersoorten.

ALGEMEEN

Het zijn zeer sterke vogels die oud kunnen worden.
Ze wegen iets meer dan 800 gr. en meten rond de 50 cm.
Ze zijn niet volkomen winterhard, maar met open water en ondiepe staanplaatsen in de vijver, overleven ze de winter wel.
Ze zijn niet echt agressief ,enkel hun nestkast verdedigen ze zeer fel.
Ze maken verschillende soorten geluid. Wanneer men verschillende vogels houdt, zullen deze continu communiceren met elkaar.
Men moet oppassen voor kruisingen met gele, witwang- en Cubafluiteenden.
Best kan men ze huisvesten in een ruim hoog omheind perk of in een voliere.
Ze zijn minder gebonden aan water dan andere fluiteenden en gaan zelden naar diep, open water.
In Latijns-Amerika worden eieren uitgebroeid onder kippen. De eenden worden daar gebruikt als ‘waakhonden’. De nieuwsgierige en zeer alerte eenden geven direct alarm als er gevaar dreigt;
Gedurende het hele jaar voldoet onderhoudskorrel, in het kweekseizoen wordt kweekkorrel gebruikt.

HUISVESTING

Roodbekfluiteenden kunnen door hun brede vleugels erg hoog springen, ook al zijn ze geleewiekt. Daarom moet men voorzien in een voldoende hoge afsluiting (>1,5 m.).  In een volière kunnen ze vliegend gehouden worden.

Het perk mag zeer gevarieerd ingericht worden. De vogels houden van verstopplaatsen en ontdekkingstochten. Reliëf is een pluspunt, de vogels vinden het leuk en het zou stimuleren tot kweken.

Een vijver hoeft niet bijzonder groot te zijn: 3 à 4 m² is voldoende. Belangrijk is dat de vijver van ondiepe delen is voorzien waarin ze kunnen pootjebaden. Omdat Noordelijke

roodbekfluiteenden niet volkomen winterhard zijn, dient de vijver in de winter open te blijven.

VOORTPLANTING

Geslachtsrijp zijn de vogels tegen het einde van hun eerste of twee levensjaar. Ze sluiten een permanent, monogaam huwelijk; zelfs wanneer ze in grote groepen (meer dan duizenden Roodbekfluiteenden) voorkomen. Toch komt het wel eens voor dat dominantere mannetjes paren met andere vrouwtjes.

Om te kweken houdt men het best groepjes bijeen, maar per koppel is ook mogelijk. Nestelen doen ze in houten nestkastjes. Deze mogen op de grond staan of in de lucht hangen. De legruimte dient 225 mm. breed en 260 mm. lang te zijn. Het nestgat heeft een diameter (nestgat met diameter 12 cm.). De legruimte wordt gevuld met zand, turf of teelaarde met daarop wat hooi. Enkele nestkasten worden geplaatst zodat de eenden kunnen kiezen. Ook broeden ze soms tussen de beplanting.

Gelegd wordt er in de maanden mei, juni of juli en soms in augustus. Dagelijks legt het vrouwtje een ei tot er zo’n 12 tot 16 witte tot crèmeachtige eieren (50 x 39 mm en + 44 gr.) zijn. Soms leggen verschillende vrouwen in 1 nest wat leidt tot nesten van meer dan 50 eieren, uitkomst is dan ook zeer laag. Dons wordt niet aan het nest toegevoegd. Zowel man als vrouw broeden 26 tot 31 dagen (gem. 27 dagen). Een nalegsel is mogelijk.

Kunstmatig opkweken gebeurt het beste door ze direct op water te zetten (=natte opkweekmethode). Men voert zo kort mogelijk startvoer want dit is te eiwitrijk, te lang voederen geeft vaak hangvleugels. Na maximaal 5 dagen schakelt men geleidelijk aan over naar opfokkorrel. Dit kan men voederen tot de vogels volgroeid zijn, vervolgens voedert men de onderhoudskorrel.

Pasgeboren kuikens zitten erg graag warm. Men zet ze het beste zo snel mogelijk in de zon (eventueel met afdak werken).  Ringen gebeurt met een 12 mm-ring.

Het samenzetten van jongen uit verschillende opfokbakken is zeer gevaarlijk, best kan me alle jongen tegelijk in een nieuwe ren zetten.

Na iets meer dan 50 dagen zijn ze volledig bevederd en na zo’n 60 dagen zijn ze vliegvlug. Zodra de jongen volgroeid zijn, moet men selecteren. Alle Roodbekfluiteenden hebben de grijsfactor in zich, ook al is die niet zichtbaar. Soms kan deze zich plots manifesteren, deze moeten dan als Zuidelijke roodbekfluiteenden bestempeld worden.

 

FOTO’S VAN DE NOORDELIJKE ROODBEKFLUITEEND

Hieronder ziet u foto’s die gedurende één jaar zijn gemaakt.  Eerst enkele foto’s over het gedrag van de vogels, vervolgens een reeks over de voortplanting. Door op de foto te klikken, krijgt u een vergroting, door nogmaals op de foto te klikken, krijgt u een verkleining.

KOPPEL EN FLUITEND MANNETJE

VLIEGENDE, ZWEMMENDE EN WASSENDE EEND

ETENDE VOGELS EN HOOFDSTUDIE

PARING

NEST EN KUIKENS VAN ÉÉN DAG OUD

TWEE DAGEN OUD

ELF DAGEN OUD

EÉN MAAND OUD

EÉN JAAR OUD